Menu

Tom Egbers:
“Ik weet niet waar ik zal sterven, maar ik ben en blijf Almeloër.”

Interview voor Twentelife met Tom Egbers (Studio Sport).

Ook de eeuwige jeugd wordt blijkbaar een jaartje ouder. Dat Tom Egbers dit jaar Abraham ziet, zal velen verbazen. De Almeloër in hart en nieren woont alweer jaren in Amsterdam, maar Twente zal hem altijd lief blijven. Voor Twentelife maakte hij dan ook graag tijd vrij om te praten over zijn roots, zijn werk en zijn ambities. Over zijn zwart-wit gestreept hart, maar ook over de veranderlijke omroepwereld én de al even wispelturige voetbalwereld.

Buiteninterview met Tom Egbers op het Mediapark in Hilversum.

Op uitnodiging van Egbers nemen we met een kop koffie plaats in de tuin naast het Videocentrum, het gebouw van waaruit de meeste uitzendingen van Studio Sport worden gemaakt, op het Mediapark in Hilversum. De gebouwen zijn naargeestig, want van beton, maar de groene omgeving en de zonnige zondag maken veel goed. Inderdaad, díe zinderende zonnige zondag waarin de beslissingen in de eredivisie vallen. Tóch heeft de sportpresentator deze dag tijd gereserveerd om Twentelife te ontvangen. “Ik vind het hartstikke leuk in Twente. Maar het soort chauvinisme van spandoeken met ‘Proud to be a Tukker’, die je soms in voetbalstadions ziet hangen, heb ik niet. Ik vind het heel leuk om er te zijn en heb er natuurlijk mijn eigen persoonlijke geschiedenis. Het is voor mij warm om er naar terug te keren en ik geneer me er ook niet voor dat ik er vandaan kom. Ik ben er wel trots op, doch niet overdreven trots.”

“Het chauvinisme van ‘Proud to be a Tukker’ heb ik niet”

Amsterdam

Tom Egbers woont ook al weer jarenlang in Amsterdam. “Ik ben en blijf natuurlijk een Almeloër. Mijn kinderen zijn een soort halve Amsterdammers: ze krijgen mee van waar ze vandaan komen. Zowel van de kant van mijn vrouw als van mij.”

Samen met zijn vrouw Janke Dekker heeft de sportpresentator twee kinderen, een zoon van tien jaar en een dochter van veertien. “Met mijn zoon ben ik vorig jaar voor het eerst naar een voetbalwedstrijd in een stadion geweest, Ajax tegen Heracles in de Arena. Híj was teleurgesteld dat er geen doelpunt viel, maar ik vond het een geweldige uitslag. Hij zegt sindsdien: ‘Ik ben helemaal voor Heracles, behalve als ze tegen Ajax spelen’. Dat moet je hem ook gunnen, want hij is geboren in Amsterdam en groeit daar op. Ook vanwege mijn kinderen weet ik niet of ik ooit terugga naar Almelo. Ik ben trouwens nog helemaal niet bezig met de late herfst van mijn carrière. Eerst moet ik samen met mijn vrouw mijn kinderen goed opvoeden, zij zijn toch geworteld in Amsterdam. Ik ben zoals gezegd een Almeloër, maar dat is iets dat meer in je DNA zit, dan dat het de plicht moet zijn om er altijd te blijven of terug te keren.”

“It doesn’t matter if you win or lose, it’s how you play the game”

Twents spreekt hij niet, maar wel goed en verzorgd Nederlands en Engels. Én plat-Almeloos. “Dat kan ik volgens mij behoorlijk goed”, lacht hij. “Met collega Dione de Graaff – volgens mij samen met Karin Bloemen de enige twee mensen die ik ken die niet uit Almelo komen, maar wel het dialect goed spreken – spreek ik voor de grap wel eens Almeloos op de redactie. ‘Oh Tommie, nog eev’n Almeloooos’, zegt ze dan.

Nomadenbloed

Al vlot in zijn leven was de jonge Tom Egbers zich bewust van de grootsheid van de wereld. “Ik wist dat er aan de andere kant van de IJssel een andere wereld was, die ik zou willen ontdekken. Ik ben opgegroeid in een fijne tijd, maar ook in een tijd dat mensen het nog niet echt breed hadden. Door het werk van mijn vader (hij had een slagerij en een supermarkt, jk) konden wij ons wat meer veroorloven én mijn moeder is Engelse. Dus gingen we zeker twee keer per jaar naar Engeland, via Oostende naar Dover. Dan kom je toch in een ander wereld dan Almelo, dat toch een charmant, maar wel dichtgetimmerd textielstadje was. En mijn ouders namen mij mee naar andere landen. We zijn in een cruiseschip de Middellandse Zee rond gevaren en we zijn ook eens naar Egypte geweest. Dat was toen heel bijzonder! Ik heb denk ik het nomadenbloed van mijn vader. Dat betekent dat ik het altijd leuk vind om in Almelo te zijn, maar ik weet niet waar ik zal sterven. Ik ben nog niet klaar, nog lang niet. Misschien kom ik in Londen terecht, ik heb veel familie in Engeland wonen. Ben ook vernoemd naar mijn grootvader, Thomas.”

Abraham

Vijftig wordt hij dus. ’t Is hem toch niet echt aan te zien, nog altijd heeft hij die jonge uitstraling, mede door die krullenbol. Maar, Abraham is dus in aantocht. “Ik ben blij dat ik het dreig te gaan halen. Wat ik er zelf eerlijk gezegd het meest bijzonder van vind – want ik voel me in wezen niet veel anders dan toen ik 32 of 24 was, al heb ik nu ik een gezin heb wel meer verantwoordelijkheid – is dat ik al vier jaar lang ouder ben dan mijn vader ooit is geworden. Je leeft eigenlijk al maanden naar die dag toe. Mijn vader was een hele meneer, vond ik. En dan ben je ineens ouder, dat is heel bizar. Maar ik hoop dat ik honderdenvier word.”

“Almeloër-zijn zit in je DNA, het is geen verplichting om er terug te keren”

Met die laatste opmerking doelt Egbers vooral op zijn werk. Nippend aan zijn koffie: “Het is hard werken, maar dat is niet erg. Maar de druk die het met zich meebrengt, voel ik wel. Die is natuurlijk tot op zekere hoogte verslavend en plezierig, maar het kan niet eeuwig doorgaan.” En dat terwijl hij niet de ambitie had om op de televisie te komen. “De meeste mensen kennen mij als presentator, maar wat ik echt leuk vind is het maken van achtergrondverhalen, filmpjes.” Wat voetbal betreft is hij meer een romanticus. “Als je voetbal als statistiek gaat benaderen, of als rationeel denkend mens, dan gaat het mij in ieder geval heel snel vervelen. Het gaat mij om het verhaal erom heen.” Wat dat betreft hangt hij het Britse principe aan, zo is hij resoluut. “It doesn’t matter if you win or lose, it’s how you play the game. Het gaat om de instelling, de stijl. Of je met je hart speelt, trots bent om iemand te vertegenwoordigen. Dat vind ik belangrijk. En dan mag er best met 7-4 verloren worden.”

Commercie

Toch is de vercommercialisering van het voetbal hem slechts ten dele een doorn in het oog. “De commercie heeft een geweldige greep op het voetbal gekregen en dat is niet in alle gevallen goed uitgepakt. Uiteindelijk gaat dat ten koste van de sport. Als je het mij eerlijk vraagt, is de UEFA Cup een mooier, eerlijker voetbaltoernooi dan de Champions League. Hoewel ik er natuurlijk wel van meeprofiteer, want wij van de NOS zenden de Champions League uit. Zaken zoals de playoffs in de eredivisie, bijvoorbeeld, vind ik een uitkomst. Tot de laatste dag aan toe was het spannend in de competitie, bij heel veel wedstrijden stond er nog iets op het spel. Uiteraard het landskampioenschap, door deze doldwaze eindsprint tussen AZ, Ajax en de uiteindelijke kampioen PSV, maar ook bij de andere wedstrijden. Als commercie en het plezier in de sport, want het blijft spannend, hand in hand gaan, dan zeg ik: doen!”, knipt hij met zijn vingers. “Betaald voetbal ís immers een bedrijf.”

“Het verlies van de uitzendrechten voor de NOS was voor Jan Smit het enige kleine smetje op de promotie van Heracles”

Waar de commercie ook de overhand dreigt te nemen, is in de televisiewereld. Juist op het moment dat ‘zijn’ Heracles Almelo na jaren op het tweede profniveau te hebben geacteerd, eindelijk promotie naar de eredivisie afdwong, verloor ‘zijn’ Studio Sport de uitzendrechten van diezelfde eredivisie aan Tien. “Mooi was dat Heracles-voorzitter Jan Smit het enige kleine smetje op de promotie vond, dat ik de club niet mocht aankondigen bij de rentree op het hoogste niveau.”
“Ik vind overigens dat er een commerciële omroep moet zijn, maar óók een publieke omroep. Al was het alleen maar om het Nieuwjaarsconcent of optredens in het Concertgebouw uit te zenden, die horen bij het Nederlands cultuurgoed, waar volgens mij gevoelsmatig de eredivisie ook bij hoort. Ik vind het geweldig dat we de Champions League hebben, maar als je met de mes op de keel me een keuze zou voorleggen wat beter bij de publieke omroep zou passen, kies ik voor de eredivisie. Maar ik heb geen principiële bezwaren tegen de commerciëlen.”

“Het was toch wel zeker dat John de Mol de rechten zou krijgen. Wát de NOS ook had geboden, hij was er altijd vijf miljoen boven gaan zitten. En dan moet De Mol zich niet verschuilen achter het feit dat de Eredivisie NV heeft geëist dat de topclubs als laatste in het programma aan bod moeten komen. Want de Eredivisie NV had ook gesteld dat er op de zender die de rechten zou krijgen, een dagelijks programma rondom de eredivisie zou moeten komen. Bij Talpa heeft dat slechts een paar maanden geduurd.”

“Mensen zeggen overigens”, besluit hij positief, “dat we het voetbal zijn kwijtgeraakt. Onzin! We hebben als NOS de Champions League, het WK, het EK én de Engelse Premier League, wat voor mij als liefhebber van Engeland helemaal geweldig is. Ik vind het niet erg om naar Tilburg en Groningen af te reizen, maar het is ook geen straf om naar Stamford Bridge of Old Traffard te gaan. Me dunkt dat dat een aardig lijstje is. Daar mag de eredivisie overigens best weer aan worden toegevoegd.”

“Vraag je het me met het mes op de keel, dan kies ik voor de eredivisie in plaats van de Champions League”